Responsive Navigatiebalk

WALEM : GESCHIEDENIS

1. Korte historiek

Walem is waarschijnlijk ontstaan bij een oversteekplaats over de Nete. Bij laag tij was het mogelijk de rivier over te steken, later ook met behulp van een kabelveer. Pas in 1551 werd de eerste houten brug gebouwd onder bestuur van landvoogdes Maria van Hongarije, zus van keizer Karel V.

De naam Waelhem (Walem) wijst op bewoning in de Frankische periode (5de – 8ste eeuw). In die tijd werden plaatsnamen gevormd met het element heem (woonplaats). Eind 12de eeuw duikt Walem voor het eerst in de geschreven bronnen op. In tegenstelling tot Heffen, Hombeek, Leest en Muizen maakte Walem geen deel uit van de Heerlijkheid Mechelen. Walem was een aparte heerlijkheid, die viel onder de baronie Duffel. Die baronie was een deel van het Land van Mechelen. Dat laatste viel onder het hertogdom Brabant en stond volledig los van de Heerlijkheid Mechelen. Omstreeks 1200 werd Walem een zelfstandige parochie en in 1227 of eerder werd de Abdij van Rozendael gesticht. Ook rond 1200 werd de polder ingedijkt. Hierdoor week het overstromingsgevaar van Nete en Dijle en beschikte men over vruchtbare grond. In 1203 werd voor het eerst de kerk vermeld.

Vanaf de eerste helft van de 13de eeuw had Walem eigen schepenen en een eigen parochie. Het grootste deel van het huidige Walem, inclusief het dorp zelf, viel onder deze heerlijkheid met schepenbank en parochie. Een deel van het grondgebied van de huidige gemeente viel echter onder Sint-Katelijne-Waver en een klein deel onder het Kwartier van Grimbergen. Battenbroek werd begin 19de eeuw bij de gemeente Walem gevoegd. De abdij van Roozendaal had eveneens een versterkende invloed op het dorp. In de 14de en 15de eeuw kende Walem bovendien een bloeiende textielindustrie. Filips van Saint-Pol liet er op een bepaald ogenblik zelfs munt slaan.

Het dorp kreeg ook de nodige tegenslagen te verwerken. Zo gingen er tweehonderd huizen verloren tijdens een brand in 1458. In de 16de eeuw kreeg Walem zware klappen toegedeeld. In 1542 werd Walem compleet verwoest door de Gelderse troepen van Maarten van Rossum en in 1572 en 1576 door plunderende Spaanse soldaten. Tijdens de godsdienstperikelen in 1580 werden kerk en dorp opnieuw in de as gelegd. Het eens zo welvarende dorp was herschapen in een rokende ruïne. In 1589 schrijft de Mechelse deken over Walem “niemand woont in dit dorp…”.

In de 17de en later in de 18de eeuw onder de Oostenrijkse Habsburgers (1715-1794) kwam Walem weer tot enige bloei. In 1706 werd de Grote Steenweg (nu Koning Albertsstraat) vernieuwd.

Na een chaotische periode met oorlogen tussen de Oostenrijkse Habsburgers en het Franse revolutionaire bewind maakten de Oostenrijkse Nederlanden van 1794 tot 1815 deel uit van Frankrijk. Uit een document van de Franse belastingdienst van1798 blijkt dat er in Walem 132 “woonplaatsen” werden geteld, grotendeels gelegen langs de huidige Koning Albertstraat en de Oude Baan. Buiten een paar woningen in de zijstraten waren de gronden voornamelijk in gebruik door de 34 opgesomde landbouwers. Topverdieners bleken twee jeneverstokers, een molenaar-olieslager, een herbergier-hotelier en een bierbrouwer-azijnmaker te zijn.

Na het korte Franse intermezzo maakten de eerdere zuidelijk provincies deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1815. In 1830 brak er echter een opstand uit die zou leiden tot de Belgische onafhankelijkheid. Even kwam Walem en de brug over de Nete in de schijnwerpers te staan wanneer in het najaar slag werd geleverd aan de Nete.

Nadat België onafhankelijk werd in 1830 kende het land gedurende een langere periode eindelijk rust en toenemende welvaart. Zelfs de industrialisatie drong door tot Walem. In de loop van de 19de eeuw werden een mouterij en een azijnfabriek, die later door Liebig werd overgenomen, in het dorp gebouwd. Over de Nete verrees het complex van de Antwerpse Waterwerken waar heel wat Walemnaars werkzaam waren. Vanaf 1900 denderde de zwartgeblakerde stoomtram door de Rechtestraat. Langzaam maar zeker kreeg het dorp zijn huidige vorm.

In 1878 startten de militaire bouwwerken van het fort van Walem op de tweede fortengordel rond vesting Antwerpen. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd het fort door de Duitsers grotendeels platgebombardeerd. Ook het dorp deelde in de klappen: meer dan 80 huizen werden vernield, geen enkel huis werd niet beschadigd. Het zou jaren vergen om Walem opnieuw vorm te geven.

In 1952 sloeg het noodlot opnieuw toe: bij een zwaar onweer werd de kerk door bliksem getroffen. Kerk en inboedel werden volledig verwoest, belangrijk cultureel patrimonium verdween.

Brand 1952

De lamentabele staat van de dijken van de Dijle en de Nete zorgde meermaals voor zware overstromingen. In 1928, 1953 en 1976 overspoelde het water Walem en zorgde voor aanzienlijke materiële schade. Een tienjarige jongen verdronk in 1976.

De opmars van koning auto en de daaraan gekoppelde wegenaanleg speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Walem. De aanleg van de autosnelweg E 19 sneed het natuurgebied Battenbroek in twee. 

Sinds 1 januari 1977 maakt Walem deel uit van de fusiegemeente Mechelen. 

2. Fort van Walem

Het fort van Walem is een historisch militair bouwwerk dat deel uitmaakte van de tweede fortengordel op de Rupel-Nete linie rond de vesting Antwerpen. De eerste bouwwerken van het bakstenen fort liepen tussen 1878 en 1883. Tussen 1891 en 1901 werd het versterkt met beton en omgevormd tot een pantserfort.

Nadat bij het begin van de Eerste Wereldoorlog de Duitse troepen op 4 augustus 1914 de grens met België waren overgestoken liepen zij op korte tijd het land onder de voet. Van 28 september tot 2 oktober werd het fort door de zware Duitse 305 mm. artillerie platgebombardeerd met een honderdtal gesneuvelde en gekwetste soldaten als gevolg.

In 1930 werd het monument- nu op de lijst van “Beschermde Monumenten”- voor de gesneuvelde manschappen van de Eerste Wereldoorlog opgericht. 

Na de Tweede Wereldoorlog diende het fort als hoofdkwartier van de Belgische Civiele Bescherming van 1953 tot 1993. In 1964 werd de nationale commandopost in het fort gevestigd. Het werd ook kortstondig gebruikt als opvangcentrum voor asielzoekers. Door brandstichting in 2003 en 2006 werden de infanteriekazerne en het officierengebouw deels verwoest.

Tegenwoordig is het fort eigendom van natuurvereniging Natuurpunt. Het fort en de omliggende gebieden zijn een belangrijk natuurgebied als toevluchtsoord voor onder andere vleermuizen.

Het fort is niet vrij toegankelijk vanwege de staat van de gebouwen, maar regelmatig worden geleide wandelingen georganiseerd door de Walemse Heemkundige Kring Dr. Croquet en Natuurpunt. 

Het fort blijft een belangrijk monument voor de militaire geschiedenis van België en is tevens het enige grote restant op Mechels grondgebied dat herinnert aan de Eerste Wereldoorlog. 

Fort van Walem - Luchtfoto - 1972
3. Walembrug

Walem is waarschijnlijk ontstaan bij een oversteekplaats over de Nete. Bij laag tij was het mogelijk de rivier over te steken, later ook met behulp van een kabelveer. De ligging langs de steenweg van Mechelen naar Antwerpen en langs de Nete en Dijle zorgde voor welvaart door passage en handel. Pas in 1551 werd de eerste volwaardige houten brug gebouwd onder bestuur van landvoogdes Maria van Hongarije, zus van keizer Karel V. Vanwege haar strategische ligging werd de brug herhaaldelijk het toneel van militaire conflicten en vernielingen. Zo werd ze vernield door Spaanse troepen in 1576 en tijdens gevechten tussen Oostenrijkse en Franse troepen in 1745.

Tijdens de opstand in 1830 tegen het Nederlandse bewind werd slag geleverd aan de Nete. Op 21 oktober stak een terugtrekkende Nederlandse legereenheid de brug in brand. Een groep van 300 Belgische vrijwilligers kon de brug heroveren en de brand blussen. Op zeker ogenblik tijdens dit gevecht nam Jager Le Boeuf uit Luxemburg het Belgische vaandel en plantte het onder een vijandelijke kogelregen nabij de brug om zo zijn medestrijders aan te vuren. Kunstschilder Kamiel Payen vereeuwigde dit gebeuren in een schilderij dat momenteel in de basisschool De Zonnebergen ophangt. 

In 1865 werd de houten brug vervangen door een stalen constructie die in 1930 werd opgevolgd door een hefbrug op twee betonnen pijlers in de Nete. In 1942 werd de hefbrug door de Duitse bezetter vervangen door de huidige betonnen liggerbrug. Een gedenksteen bij de brug herinnert ons aan de slachtoffers van de gevechten in 1830 en 1944.

Om de doorvaart van grotere containerschepen mogelijk te maken is er een nieuwe en hogere brug gepland die over enkele jaren de huidige brug zal vervangen.

Draaibrug - 1865
4. Kerk

De kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand in Walem heeft een lange en bewogen geschiedenis. In 1203 werd de eerste kerk van Walem ingewijd. Delen van de huidige toren zouden volgens sommigen uit die tijd stammen, maar anderen voeren de 14e eeuw aan. De romaanse kerk had aanvankelijk drie beuken die later samengevoegd werden tot één brede beuk. In 1542 werd de kerk in brand gestoken door de troepen van Maarten van Rossum. In 1546 werd de kerk weer in gebruik genomen. In 1576 werd het gebedshuis wederom in brand gestoken door Spaanse troepen en in 1580 totaal vernield door de Calvinisten.

In 1617-1618 werd de kerk hersteld. Ook werden toen zijbeuken toegevoegd. In 1833 werd het koor in baksteen herbouwd en in 1869 werd het noordertransept verlengd naar ontwerp van Joseph Schadde.

In 1911 werd de oude kerk afgebroken, waarbij de toren, het koor en het transept bleven gespaard. In 1912 werd de nieuwe kerk in neogotische stijl, naar ontwerp van Edward Careels, in gebruik genomen.

De kerk werd tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd, en werd hersteld in 1921. In 1952 brandde de kerk echter uit ten gevolge van blikseminslag. De toren bleef behouden en de kerk werd hersteld naar ontwerp van Joseph Willems, waarbij een vereenvoudigde interpretatie van de neogotiek werd gehanteerd.

Kerk Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand - 1857
5. Klooster

De benaming “Oudt Klooster” werd recentelijk toegekend aan het “grote huis met tuin” dat in 1867 door Monseigneur Scheppers werd aangekocht en ingericht als klooster voor de door hem gestichte congregatie (1854) van de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid. Aanvankelijk fungeerde het als lagere meisjesschool. In 1872 werd er een weeshuis aan toegevoegd. Later groeide het uit tot een volwaardig pensionaat, dat in 1899 officieel werd erkend.

Na de sluiting van het pensionaat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het complex omgevormd tot het rusthuis Sint Victor. Nadat in 1968 de zusters terugkeerden naar hun moederhuis te Mechelen kende het gebouw verschillende functies als lagere school en traiteurszaak tot de definitieve sluiting in1989.

Na meer dan twintig jaar leegstand wordt het klooster momenteel her ontwikkeld tot een woonproject met 32 wooneenheden, een horecazaak, een buurtzaal voor 150 personen en een publiek park van 1.900 vierkante meter. Historische elementen zoals de gevels, daken en trappartijen blijven behouden. Het klooster van Walem blijft op die manier een historisch  sociaal ankerpunt voor het dorp.

Oudt Klooster
6. Battenbroek

De naam “Battenbroek” verwijst naar een drassig gebied (“broek”). Onder hertog Hendrik I van Brabant werd het gebied ingedijkt om vruchtbare gronden te creëren op de hoger gelegen delen, terwijl de lager gelegen stukken moerassig bleven. Battenbroek was gedurende het hele Ancien Regime een aparte heerlijkheid met eigen schepenen en een polderbestuur, de zogenaamde “Vrije Aerde van Battenbroek”. Pas begin 19de eeuw werd dit gebied bij de gemeente Walem gevoegd. Battenbroek viel ook niet onder de parochie van Walem, maar onder de Mechelse Sint-Katelijneparochie.

Door zijn strategische ligging op de samenvloeiing van Dijle en Nete werd voor de controle van de scheepvaart op “Het Donkske” een fort gebouwd, vermoedelijk tijdens het bewind van de hertog van Alva (1566-1573). De laatste restanten van het bouwwerk werden gesloopt in 1926.

Het kasteel van Battenbroek werd voor het eerst vermeld in 1220 en was mogelijk een van de vier burchten van de familie Berthout. Het huidige kasteel werd rond 1830 gebouwd in classicistische stijl. Diverse aanpassingen zoals de aanbouw van een neogotische kapel in 1907 gaven het gebouw zijn huidige aanzien. Het huidige poortgebouw dateert vermoedelijk uit de 13de of 14de eeuw.

Vanaf de 13de eeuw werd Battenbroek intensief gebruikt voor landbouw. Een eenvoudige watermolen op de Molenvliet werd rond 1300 vervangen door een houten windmolen op de Molenvlietdijk. Deze molen werd verschillende keren vernield door oorlogsgeweld en brand, maar telkens heropgebouwd. Bij de inval van de Duitsers werd de molen op 28 september 1914 in brand gestoken en verdween definitief.

In de loop van de 20ste eeuw onderging Battenbroek een transformatie tot natuur- en recreatiegebied. De aanleg van de E19 sneed het ganse gebied in twee. Twee vijvers ontstonden als zandwinningsputten. De Grote Vijver wordt nu voorbehouden aan watersporten.

Het Tongske aan de samenvloeiing van Dijle en Nete
7. Roosendael

Rond 1220 werd langs de Nete een abdij gesticht door Gillis Berthout voor zijn dochters Oda en Elisabeth. Deze abdij van de orde der cisterciënzers groeide uit tot een invloedrijke religieuze instelling met aanzienlijke bezittingen in de regio. Van die middeleeuwse vestiging blijft vandaag, behalve enkele muurresten, bovengronds nauwelijks iets over.

Tijdens de godsdienstoorlogen in de 16de eeuw werd de abdij meermaals geplunderd en uiteindelijk in 1578 grotendeels verwoest. Pas na 1648 begon de heropbouw van de abdij. Er verrees een indrukwekkend barok complex met nieuwe kloostergebouwen en een kerk. In de 18de eeuw kende Roosendael een nieuwe bloeiperiode met de bouw van het poortgebouw in 1777 en het koetshuis in 1781.

Even later sloeg de rampspoed echter opnieuw toe. In 1797, onder het Franse bewind, werden de religieuzen voorgoed verdreven. De abdij werd verkocht en grotendeels gesloopt om het bouwmateriaal te gelde te maken. Van de kloostergebouwen bleef wel nog een deel van het abdissenkwartier overeind. Dit werd rond 1840 verbouwd tot een classicistisch kasteel als buitengoed met landschapspark. Bij de slag om de Nete in oktober 1914 werd het kasteel door artillerievuur verwoest. In 1920 werd door de familie Pirard een landhuis gebouwd.

In 1959 schonk Marguerite Pirard het domein bij legaat aan het aartsbisdom Mechelen. Nadat Roosendael vzw in 1984 het domein in erfpacht kreeg, kon een grootscheepse restauratiecampagne van start gaan. Het poortgebouw, het zogenaamde “Pesthuis” en het koetshuis werden in hun oude glorie gerestaureerd. Het domein van 17 hectare is ondertussen beschermd als landschap.

Sindsdien is het een jeugdverblijfscentrum waar vooral schoolgroepen en jeugdverenigingen van genieten tijdens bos- of plattelandsklassen, bezinningsdagen, vakantie- of weekendkampen. Vandaag kunnen op het domein ook verblijfstoeristen, wandelaars en fietsers terecht voor verpozing, cultuurbeleving en zachte recreatie. Bovendien stelt Roosendael zijn poorten open voor workshops en seminaries en feesten van verenigingen, families en bedrijven.

Abdij van Roosendael voor 1797

Deze website maakt gebruik van cookies. Als u doorgaat met het gebruiken van deze site, accepteert u ons gebruik van cookies.